Pestprotocol 

 
Inhoudsopgave 
 
Voorwoord 
1. Plagen 
2. Pesten 
3. Hoe wordt er gepest? 
4. Partijen bij het pestprobleem 
5. Preventieve aanpak 
6. Vijfsporen aanpak 
7. Digitaal pesten 
8. Het stappenplan na een melding van pesten 
 

Voorwoord 
Een van de uitgangspunten van de leerlingbegeleiding op Thorbecke Voortgezet Onderwijs is ‘leren en je prettig en veilig voelen op school, horen bij elkaar.’ We spreken hiermee heel duidelijk uit dat we al onze leerlingen een veilig pedagogisch klimaat willen bieden waarin zij zich harmonieus kunnen ontwikkelen en waarin goede leerprestaties mogelijk zijn. Docenten, onderwijsondersteunend personeel, coördinatoren en schoolleiding bevorderen deze ontwikkeling door het scheppen van een open en prettige werksfeer in de klas en daarbuiten. Door het creëren van overzichtelijke en herkenbare eenheden draagt de organisatie van de school bij aan het gevoel van veiligheid. 

Het moet zo voor iedere leerling mogelijk worden om te ervaren dat hij/zij kan zijn wie hij/zij is. Er is ruimte voor iedereen om zichzelf te zijn zolang dat niet betekent dat de afgesproken regels overtreden worden of dat iemands persoonlijke grenzen overschreden worden. 

Pesten betekent dat iemands grenzen overschreden worden en dat past niet in een prettig en veilig klimaat voor allemaal. 
 
Het pestprotocol is geschreven voor de leerlingen, ouders en medewerkers van de school. Het geeft het beleid van de school weer t.a.v. pesten. Het is verbonden met andere onderdelen in het schoolplan zoals het beleid t.a.v. schorsing en verwijdering van leerlingen en het beleid t.a.v. ongewenst gedrag (agressie, seksuele intimidatie en geweld). 
Het beschrijft wat we onder pesten verstaan, hoe pesten voorkomen kan worden en wat de aanpak is als er gepest wordt. Het hoofddoel van het protocol is het voorkomen en bestrijden van pesten door alle betrokkenen duidelijkheid te geven over ieders rol. Daarnaast heeft het een informatieve en verwijzende functie. 
 
Dit protocol geldt voor alle locaties. Daar waar het protocol daarvoor ruimte biedt, kunnen locaties in de uitvoering een eigen actieve invulling kunnen geven. 
 
1. Plagen 
We spreken over plagen wanneer leerlingen min of meer aan elkaar gewaagd zijn. Het vertoonde gedrag is onschuldig en nodigt uit tot een reactie van een zelfde soort. Het gaat dan om een spel, dat door geen van de betrokkenen als bedreigend of echt vervelend wordt ervaren. Plagen is niet systematisch en heeft geen nadelige gevolgen voor degene die het ondergaat. Er is sprake van een pedagogische waarde: door elkaar eens uit te dagen, leren kinderen heel goed om met allerlei conflicten om te gaan. Dat is een vaardigheid die hen later in hun leven van pas komt bij conflicthantering. 
 
2. Pesten 
Op Thorbecke Voortgezet Onderwijs hanteren we de regel dat degene die het ondergaat, bepaalt of het vertoonde gedrag gewenst is of niet meer. Degene die het ondergaat bepaalt dus of er sprake is van pesten. Wat voor de één een vorm van ongewenst gedrag is, hoeft dat voor de ander niet te zijn. Wat voor de één een grapje of een plagerijtje is, kan door de ander als enorm vervelend of kwetsend ervaren worden. Wat misschien niet persoonlijk bedoeld is, kan iemand direct raken. Het wordt een probleem als je er samen niet meer uitkomt. 
Het specifieke van pesten is gelegen in het bedreigende en vooral systematische karakter van bepaald gedrag. We spreken van pestgedrag als het regelmatig gebeurt, waardoor de leerling zich niet langer veilig voelt in de school. 
 
Bij pesten wordt een slachtoffer uitgezocht om de baas over te spelen. De gepeste is niet meer in staat voor zichzelf op te komen en ondervindt duidelijk nadelige gevolgen. 
 
3. Hoe wordt er gepest? 
Met woorden: vernederen, belachelijk maken, schelden, dreigen, met bijnamen aanspreken, 
gemene briefjes, digitaal pesten  ongewenste sms’jes sturen,  via mail of chatprogramma’s opmerkingen verspreiden.
Lichamelijk: trekken aan kleding, duwen en sjorren, schoppen en slaan, krabben en aan haren trekken, wapens gebruiken.
Achtervolgen: opjagen en achterna lopen, in de val laten lopen, klem zetten of rijden 
opsluiten. 
Uitsluiting: doodzwijgen en negeren, uitsluiten van feestjes bij groepsopdrachten 
Stelen en vernielen: afpakken van kledingstukken, schooltas, schoolspullen 
kliederen op boeken  banden lek prikken, fiets beschadigen 
Afpersing: dwingen om geld of spullen af te geven het afdwingen om iets voor de pestende leerling te doen. 
 
4. Partijen bij het pestprobleem 
- de gepeste leerling 
Elke leerling loopt het risico gepest te worden maar sommige leerlingen hebben een grotere kans om gepest te worden dan anderen. Dat kan komen door uiterlijke kenmerken maar het heeft vaker te maken met vertoond gedrag, de wijze waarop gevoelens worden beleefd en de manier waarop die worden geuit. Kinderen die gepest worden hebben vaak andere interesses dan de meeste 
leeftijdgenoten of ze doen dingen anders. Ze zijn goed in vakgebieden of juist niet. 
Veel kinderen die gepest worden hebben een beperkte weerbaarheid. Ze zijn niet in staat 
daadwerkelijk actie te ondernemen tegen de pestkoppen en stralen dat dan ook uit. Vaak zijn ze 
angstig en onzeker in een groep en durven ze weinig of niets te zeggen omdat ze bang zijn om 
uitgelachen te worden. Deze angst en onzekerheid worden verder versterkt door het ondervonden pestgedrag, waardoor het gepeste kind in een vicieuze cirkel komt waar het zonder hulp zeker niet uit komt. 
Gepeste leerlingen voelen zich vaak eenzaam, hebben in hun gepeste omgeving geen vrienden om op terug te vallen en kunnen soms beter met volwassenen opschieten dan met hun leeftijdgenoten. Jongens die worden gepest horen bijna nooit tot de motorisch beter ontwikkelde kinderen. 
 
- de pester 
Pestende leerlingen zijn vaak fysiek en /of verbaal de sterksten. Meisjes pesten in drie kwart van de gevallen door middel van psychisch geweld (buitensluiten, roddelen) en voor de rest door middel van fysiek geweld. Bij jongens is het net andersom: in driekwart 
van de gevallen door middel van fysiek geweld en voor de rest door middel van psychisch geweld. 
 
Pesters kunnen het zich permitteren zich agressief op te stellen en ze reageren dan ook met dreiging van geweld of de indirecte inzet van geweld. Ze lijken populair te zijn in een klas, maar dwingen hun populariteit in de groep af door te laten zien hoe sterk ze zijn en wat ze allemaal durven. Echte pesters zijn niet alleen agressief en fysiek sterker dan de rest van de klas, ze hebben ook weinig empathisch (invoelend) vermogen, zijn impulsief en domineren graag andere kinderen. 
 
Een 'succesvolle' pester heeft niet geleerd zijn agressie op een andere manier te uiten dan door het ongewenste pestgedrag te vertonen. Ook pesters hebben op de langere termijn last van hun pestgedrag. Door hun verkeerde en vooral beperkte sociale vaardigheden hebben ze vaak moeite om een vriendschap op te bouwen en te onderhouden op andere gronden dan die van macht en het delen in die macht. Pesters maken een abnormale sociale ontwikkeling door met alle gevolgen van dien voor de pester zelf. 
 
- de zwijgende middengroep 
De meeste leerlingen zijn niet direct betrokken bij pesten in de actieve rol van pester. Sommigen behouden enige afstand en andere leerlingen doen, uit angst of uit berekening, mee. Dit zijn de zogenaamde 'meelopers'. Er zijn ook leerlingen die niet merken dat er gepest wordt. Heel af en toe neemt een leerling, of een klein groepje leerlingen, het voor het gepeste kind op. 
 
Het specifieke kenmerk van een meeloper is de grote angst om zelf in de slachtofferrol te geraken. Maar het kan ook zijn dat meelopers stoer gedrag wel interessant vinden en denken daardoor op de populariteit van de pester in kwestie mee te liften. 
 
- de medewerkers 
Pesten is een goed bewaard groepsgeheim: (bijna) iedere leerling weet dat in de groep wordt gepest, toch durft niemand het aan docent of ouder te vertellen. De medewerkers weten dus ook vaak niet dat er in de groep wordt gepest. En zien ze ongewenst gedrag, dan wordt het lang niet altijd als pesten geïnterpreteerd. 
 
- de ouders 
Wanneer kinderen worden gepest, durven ze in de meeste gevallen niet aan hun ouders te vertellen dat hen dit overkomt. Ze kunnen bang zijn dat hun ouders naar school gaan, het aan de mentor/mentrix vertellen en dat deze het verkeerd aanpakt. Ze schamen zich vaak dat hen dit overkomt. Soms denken ze dat ze het gedrag van de pester zelf hebben uitgelokt en het dus verdienen gepest te worden. 
 
5. Preventieve aanpak 
Het aanpakken van pesten 
Pesten is onacceptabel en vraagt om een duidelijke en krachtige reactie vanuit de school. De grote vraag is hoe dat het beste kan en vooral ook hoe we dat binnen een vestiging en een onderwijsteam het beste kunnen aanpakken. Pesten kan grote gevolgen hebben voor de gepeste (onzekerheid, faalangst, depressie, zelfdoding) en de pester (problemen met sociale relaties, positief tegenover het gebruik van geweld, heeft grotere kans in het criminele circuit terecht te komen). 
 
- de mentor 
1. Elke mentor bespreekt aan het begin van het schooljaar de algemene afspraken en regels in de klas. Het onderling plagen en pesten wordt hierbij genoemd en onderscheiden. Tevens 
bespreekt de mentor in zijn klas het pestprotocol. Ook wordt duidelijk gesteld dat pesten altijd gemeld moet worden en niet als klikken maar als hulp bieden of vragen wordt beschouwd. 
2. In de leerjaren 1 t/m 3 wordt aandacht besteed aan pesten in één of meerdere mentorlessen/ lessen leefstijl. 
De leerlingen onderschrijven aan het eind van deze les(sen) een aantal samen gemaakte 
afspraken (het non-contract). 
3. Indien een mentor of docent daartoe aanleiding ziet, besteedt hij expliciet 
 aandacht aan pestgedrag in een groepsgesprek. Hierbij worden de rol van de 
 pester, het slachtoffer, de meelopers en de stille getuigen benoemd. 
Buiten de groepen is er ook de mogelijkheid om intern een SOVA-training, faalangst reductie 
training, agressie reductie training te volgen, of extern een SOVA-training. 
4. Van de gesprekken rond pesten worden aantekeningen gemaakt, die door de 
 mentor worden bewaard in het leerlingvolgsysteem van zowel de leerling die pest 
 als van de leerling die gepest wordt. 
 
 Voorbeeld van een non-contract: 
 
Contract “veilig in school” 
 Ik vind dat iedereen zich veilig moet voelen in school. 
Daarom houd ik mij aan de volgende afspraken: 
1. Ik accepteer de ander zoals hij is en ik discrimineer niet 
2. Ik scheld niet en doe niet mee aan uitlachen en roddelen 
3. Ik blijf van de spullen van een ander af 
4. Als er ruzie is zoek ik iemand die de ruzie helpt oplossen 
5. Ik bedreig niemand, ook niet met woorden of digitaal 
6. Ik neem geen wapens of drugs mee naar school 
7. Ik gebruik geen geweld, ook geen digitaal geweld 
8. Als iemand mij hindert vraag ik hem of haar duidelijk daarmee te stoppen 
9. Als dat niet helpt, vraag ik een docent of mijn mentor om hulp 
 
Dit non-contract dient als basis en kan per vestiging, onderwijsteam, leerjaar en/of klas worden aangevuld. 
 
- de medewerker 
Het voorbeeldgedrag van de docent in de les en van de medewerkers van de school is belangrijk. Er zal minder gepest worden in een klimaat waar duidelijkheid heerst over de omgang met elkaar, waar acceptatie van verschillen wordt aangemoedigd, waar ruzies niet met geweld worden opgelost, maar uitgesproken, waar leerlingen gerespecteerd worden in hun eigenheid, waar agressief gedrag niet wordt geaccepteerd en waar docenten, onderwijsondersteunend personeel, coördinatoren en schoolleiding duidelijk stelling nemen tegen dergelijke gedragingen. 
 
6. Vijf sporenaanpak 
Dit houdt in: 
De algemene verantwoordelijkheid van de school 
De school zorgt dat de medewerkers voldoende informatie hebben over het pesten in het algemeen en het aanpakken van pesten. De school werkt aan een goed beleid rond pesten, zodat de veiligheid van leerlingen binnen de school zo optimaal mogelijk is waardoor een klimaat ontstaat waarin pesten bespreekbaar gemaakt kan worden. Alle medewerkers van de school vervullen een voorbeeldfunctie bij het signaleren en tegengaan van pestgedrag. Het bieden van steun aan de jongere die gepest wordt. Het probleem wordt serieus genomen. Er wordt uitgezocht wat er precies gebeurd is. Er wordt overlegd over mogelijke oplossingen. Het aanbieden van hulp door de mentor, de zorgcoördinator/onderwijsteamleider. Het bieden van steun aan de pester. Het confronteren van de jongere met zijn gedrag en de gevolgen hiervan voor de pester. De achterliggende oorzaken boven tafel proberen te krijgen. Wijzen op het gebrek aan empathisch vermogen dat zichtbaar wordt in het gedrag. Het aanbieden van hulp (desnoods verplicht) door de mentor, de zorgcoördinator/teamleider/afdelingsleider. Het betrekken van de middengroep bij het pesten. De mentor bespreekt met de klas het pesten en benoemt de rol van alle leerlingen en die van de school hierin. Er wordt gesproken over mogelijke oplossingen en wat de klas kan bijdragen aan een verbetering van de situatie. De mentor komt hier in de toekomst op terug. Het bieden van steun aan de ouders. Ouders die zich zorgen maken over pesten worden serieus genomen. De school werkt samen met de ouders om het pesten aan te pakken. De school geeft adviezen aan de ouders in het omgaan met hun gepeste of pestende kind. De school verwijst de ouders zo nodig naar deskundige hulpverleners. 
 
De ouders van leerlingen die gepest worden, kunnen er moeite mee hebben, dat hun 
kind aan zichzelf zou moeten werken. Hun kind wordt gepest en dat moet gewoon 
stoppen. Dat klopt, het pesten moet stoppen. Echter een gepest kind wil zich niet alleen veilig voelen op school; het wil ook geaccepteerd worden. Het verlangt ernaar om zich prettig en zelfverzekerder te voelen. Daar kan begeleiding of een (sociale vaardigheids-) training aan bijdragen.
 
7. Digitaal pesten 
 
Wat kan een leerling doen om digitaal pesten te voorkomen? 
 
• Bedenk dat niet alles waar is, wat je op het internet tegenkomt. 
• Gebruik een apart hotmail adres om jezelf te registreren op websites. Kies een e-mailadres 
dat niet je eigen voor -en achternaam volledig weergeeft. 
• Gebruik altijd een bijnaam als je chat. 
• Als je je vervelend voelt door iets dat je hebt gezien, vertel dat dan aan iemand die je 
vertrouwt. 
• Blijf altijd vriendelijk en eerlijk en scheld niet (terug). 
• Verwijder onbekende mensen uit je MSN contactlijst. 
• Ga weg uit de chat als er iets vervelends gebeurt. 
• Bel of mail niet zomaar met kinderen die je van internet kent, en spreek niet met ze af zonder dat je ouders dat weten. 
• Verstuur geen flauwe grappen, dreigmail of haatmail. 
• Geef geen persoonlijke informatie aan mensen die je alleen van het chatten kent. 
Dus: geen emailadressen, gewone adressen, namen (ook niet van school), 
 telefoonnummers, wachtwoorden enz. geven. 
 Let vooral op bij foto’s van jezelf: Als je een foto op internet zet, kan deze 
 gemakkelijk gekopieerd en op een andere website geplaatst worden. Zo kan 
hij jarenlang terug te vinden zijn, ook als jij hem al weggehaald hebt. Foto’s kunnen ook 
bewerkt worden zonder dat jij dat weet of wilt. Houd daar rekening mee. 
• Wees voorzichtig met het gebruik van je webcam. Gebruik geen webcam bij personen die je 
niet kent of vertrouwt. Jouw beelden kunnen worden opgeslagen en gebruikt worden om ze 
aan andere personen te laten zien. Ze kunnen ook voor andere doeleinden gebruikt worden 
dan waarvoor jij ze gemaakt hebt. 
 
Wat kan een leerling tegen digitaal pesten doen? 
 
• Niet altijd persoonlijk opvatten. 
 Als het pesten komt van mensen die je niet kent, vat scheldpartijen of beledigingen dan niet 
persoonlijk op. Vaak maken mensen negatieve opmerkingen uit verveling. De anonimiteit van internet maakt dat mensen makkelijk gaan schelden. 
• Negeer de pest- /mails / sms/chat. 
 Je kunt het beste niet reageren op haatmailtjes of andere digitale pesterij. 
 Verwijder de e-mail zonder hem te openen. Onderdruk je nieuwsgierigheid! 
 Het negeren is effectief in de beginfase van pesten, dus als de pester nog niet zolang aan het 
pesten is. Pestkoppen willen vaak aandacht. Als je niet reageert, gaan pesters op zoek naar 
iemand anders om te pesten. Dat geldt ook voor chatrooms. Als daar vervelende 
opmerkingen worden gemaakt, stop dan met chatten, verlaat die chatroom. 
• Blokkeer de afzender. 
Krijg je pest e-mails , blokkeer dan de afzender . 
Als het gaat om sms’jes op de mobiele telefoon, dan heb je op sommige mobiele telefoons de 
mogelijkheid om bepaalde nummers te blokkeren. 
• Dit werkt alleen als vanaf een andere telefoon met nummer vermelding het bericht wordt 
verzonden, waarmee de dader zich bloot geeft. Wanneer hij of zij echter de telefoon van 
iemand anders gebruikt, is weliswaar de telefoon, maar niet de dader te achterhalen. Er is 
dan weer sprake van anonimiteit. Het nummer kan vervolgens wel worden geblokkeerd. 
Wanneer andere methoden niet helpen, kan uiteindelijk alleen de sms-functie worden 
uitgeschakeld. In het ergste geval moet een nieuw ( eventueel geheim) nummer worden 
aangevraagd. 
• Praat erover. 
Erover praten met je vrienden, je ouders of een leraar die je vertrouwt is belangrijk. Zeker als het pesten al een tijdje duurt en je je er bedreigd door voelt. Liefst met iemand die veel van 
computers en internet weet en die niet doorvertelt dat je gepest wordt. 
• Bewaar de bewijzen. 
Als de pesterijen al in een verder gevorderd stadium zijn en er via de sms, chat of mail 
bedreigingen worden geuit, bewaar deze dan. Hoe vervelend de mailtjes ook zijn, gooi ze niet 
weg. Maak een printje van de pestmail of sla de berichten op. Het zijn bewijzen die tegen de pester gebruikt kunnen worden. Aan het IP adres van de e-mail kan soms afgeleid worden van welke computer de e-mail verzonden is. Een provider heeft vaak een helpdesk die klachten over nare mail, sms’jes e.d. aan kan nemen. Daar heeft men ook de technische mogelijkheden om na te gaan wie het verstuurt. Bel de helpdesk op. 
• Je kunt naar een van de contactpersonen op school gaan die speciaal zijn aangesteld om je te helpen bij vormen van ongewenst gedrag. Zij kunnen je vertellen wat je nog meer kunt 
doen om het vervelende gedrag te stoppen. Zij kunnen je ook helpen als het vervelende 
gedrag misschien al gestopt is maar je er nog steeds last van hebt. 
• Aangifte doen bij de politie. 
In bepaalde gevallen kun je naar de politie om aangifte te doen. 
Pesten kan zo hardnekkig zijn dat het pesten ‘stalken’ wordt genoemd. Dit is 
strafbaar. Voor meer informatie over aangifte doen: www.pestenislaf.nl 
Voel je niet schuldig als er iets vervelends gebeurt. Het is niet jouw schuld. 
• Wees zuinig op je wachtwoorden. 
Zorg dat je je wachtwoorden en inlognamen niet doorgeeft aan anderen of dat ze gemakkelijk te raden zijn. Zo kunnen anderen niet bij je website of e-mail. Als dit wel gebeurd is, neem dan contact op met de beheerder van de site. 
 
 
HET STAPPENPLAN NA EEN MELDING VAN PESTEN 
 
A. De mentor 
1. Wanneer het pesten plaatsvindt in klassenverband, praat de mentor eerst met de 
 gepeste en later met de pester apart. Een leidraad voor deze gesprekken is te 
 vinden in bijlage II en III. Vervolgens organiseert de mentor een gesprek tussen 
 beide leerlingen en probeert tot goede afspraken te komen. 
2. De mentor neemt contact op met de ouders van de pester en de gepeste en 
 betrekt hen bij de oplossing; 
3. De mentor bespreekt direct het vervolgtraject indien het pesten zich herhaalt. 
4. De mentor praat met de klas. Dit is belangrijk in verband met het herstellen van 
 de groepssfeer en om te benadrukken welke verantwoordelijkheid ieder groepslid 
 heeft. 
5. Indien het probleem escaleert, meldt de mentor het gedrag aan de 
 zorgcoördinator/teameider/afdelingsleider van de leerling(en). Hij overhandigt de 
 zorgcoördinator/teamleider/afdelingsleider het dossier met daarin de gebeurtenissen 
 en de afspraken die zijn gemaakt. 
6. Indien het probleem escaleert (zie 5) worden de ouders/verzorgers op de hoogte 
 gesteld en zo nodig betrokken bij het vinden van een oplossing. 
 
B. De zorgcoördinator/onderwijsteamleider 
1. De zorgcoördinator/teamleider/afdelingsleider kan in onderling overleg, de rol van de mentor 
overnemen bij escalatie van het pestgedrag en wanneer het pesten het 
 klassenverband overstijgt. 
2. Hij heeft zo nodig een gesprek met de gepeste en de pester apart of organiseert 
 direct een gesprek tussen beiden. 
3. In het contact met de pester is het doel drieledig, namelijk: 
 - confronteren (zie bijlage IV) 
 - mogelijke achterliggende problematiek op tafel krijgen 
 - helderheid geven over het vervolgtraject bij herhaling van pesten. 
4. In het contact met de gepeste wordt gekeken of hij bepaald gedrag vertoont, 
 waardoor hij een gemakkelijk doelwit vormt voor pesters. 
5. Hij adviseert zo nodig, zowel aan de pester als de gepeste, hulp op vrijwillige 
 basis. 
6. Hij stelt alle betrokken ouders op de hoogte wanneer er sprake is van recidief 
 gedrag, verzoekt hen om met hun kind te praten en stelt hen op de hoogte van 
 het vervolgtraject. 
7. Hij bespreekt de mogelijkheden tot hulp met de ouders. 
8. Hij koppelt alle informatie weer terug naar de mentor. 
 
C. Schorsing 
Wanneer er op vrijwillige basis niet genoeg succes geboekt wordt en het pestgedrag doorgaat, krijgt de leerling een “vierkant” rooster. Als er ook daarna geen verbetering geconstateerd wordt krijgt de pestende leerling een langere schorsing, dit in overleg met de 
zorgcoördinator/teamleider/afdelingsleider. 
 D. Verwijdering van de vestiging 
Wanneer de leerling ondanks alle inspanningen van de betrokken partijen koppig blijft volharden in het ongewenste pestgedrag liggen er geen perspectieven meer tot 
verandering. De vestiging kan en wil geen verantwoordelijkheid meer nemen voor de 
veiligheid van de overige leerlingen. Er rest de vestiging niets anders dan verwijdering, dit in 
dit in samenspraak met leerplicht. 
 
E. De taak van docenten/onderwijsondersteunend personeel 
De docenten hebben vooral een signalerende rol. Wanneer zij pesten waarnemen of 
redenen hebben om pesten te vermoeden, wordt er van hen verwacht dat zij hierop 
adequaat reageren en een melding doen bij de mentor om hulp en overleg in gang te zetten.
 

Inloggen...

Bekijk de handleiding voor het ouderportaal.


Inloggevens vergeten?